FAQ SC60-COSMO

De fabrikant zelf kiest voor welke wanden en met welke afdichting zijn product brandtesten zal ondergaan. Indien officiële brandtesten in een erkend labo succesvol zijn, zal de fabrikant hiervoor een officiële classificatie en CE-markering voor krijgen. De fabrikant is hierbij verplicht een Declaration of Performance (DoP) op te maken en beschikbaar te stellen waarin de behaalde classificatie opgenomen is in functie van de wand en de gebruikte afdichting.

 

Rf-Technologies heeft, voor de klassieke 60’ brandwerende vlinderklep SC+60, een behaalde classificatie EI60S in stenen wanden (min. 100mm dikte) met afdichting met mortel en gips. Echter staat de tijd niet stil. Ook niet voor de installatie van brandkleppen. We zagen de voorbije jaren een sterke toename van afdichting met harde gecoate steenwolplaten. Vandaar de beslissing van Rf-t om deze afdichting toe te voegen aan haar gamma vlinderkleppen en, uiteraard, aan de SC60-COSMO.

 

En opnieuw heeft Rf-t, samen met Efectis, nieuwe afdichtingsmethodes succesvol getest en gevalideerd, waaronder de oplossing met (zachte) minerale wol opvulling en afwerking met grafietkit. Die afdichtingsmethode zal ook beschikbaar worden voor het klassieke gamma Rf-t vlinderkleppen, althans voor 60 minuten brandweerstand. Dit is op dit moment nog maar enkel officieel gevalideerd voor de SC60-COSMO.

 

We hebben de SC60-COSMO ook succesvol getest met thermisch (en akoestisch) geïsoleerde kanalen. Het belangrijk aspect hier is dat de isolatie door (de dikte van) de wand heen mag lopen. De afdichting in de wand komt dan rond de isolatie.

De SC60-COSMO voldoet zowel aan de WRD- als WBDBO-eisen. Voor het herstellen van de brandcompartimentering moet de SC60-COSMO eveneens in de compartimentswand geplaatst worden. De correcte plaatsing in de wand wordt aangegeven in de technische brochure van het product (pagina 6 figuur 5). 

De webinar zal niet beschikbaar zijn op YouTube, maar alle registranten ontvingen wel de opname zodat deze kan herbekeken worden indien gewenst. Later zal er een mogelijkheid zijn om de webinar on-demand op te vragen (informatie volgt).

Rf-Technologies werd door verschillende veiligheidsregio’s geconsulteerd m.b.t. concrete projecten. De SC60-COSMO werd als gelijkwaardige oplossing aanvaard in die projecten. Rf-Technologies kan argumenten aanreiken om de gelijkwaardigheid aan te tonen, maar het blijft het bevoegd gezag dat de goedkeuringen aflevert. Wij begrijpen dat het veiligheidsberaad de toepassing van mechanische oplossing op landelijk niveau heeft besproken. Daarnaast heeft het Ministerie een werkgroep aangesteld met als opdracht het updaten van de NEN 6075. Die opdracht omvat een herwerking van hoofdstuk 6.3 over ventilatiekanalen.

In het bouwbesluit wordt uitgegaan van de richting in dewelke de rook zich verspreidt, het rooktraject. Elk rooktraject moet apart beschouwd worden. Zo worden eisen (Ra/R200) gesteld van een subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment, of naar (beveiligde) vluchtroutes… . In een woongebouw geldt de eis tussen de wooneenheden (de grenzen zijn dan zowel brandcompartimenten als SBC’s). De collectieve schacht is een BC, maar geen SBC (geen menselijke aanwezigheid in de schacht). Bij toevoerlucht zal de SC60-COSMO rechtstreeks voldoen aan de eisen van rookcompartimentering vanuit het getroffen SBC (de klep zal sluiten wanneer de druk uit het getroffen SBC groter zal zijn dan de toevoerdruk, en zal aldus alle rookverspreiding tegenhouden).

Bij afvoer zal de rook zich wel verspreiden in de afvoerkanalen en dat zolang de vlinderklep bij 72°C niet gesloten is. Omdat een SC60-COSMO echter ook toegepast wordt in alle afvoerkanalen zullen de niet getroffen SBC toch beschermd worden tegen rookverspreiding. Hier geldt dezelfde redenering, namelijk wanneer de druk in het met rookgevulde afvoerkanaal groter wordt dan de afvoerdruk uit een niet getroffen woning, zal de SC60-COSMO sluiten. Het verhindert dus dat rook van een getroffen SBC naar een niet getroffen SBC gaat via de afvoerkanalen. De rook in het collectief afvoerkanaal zal, in het geval van een woongebouw, afgevoerd worden naar buiten, en dat totdat de SC60-COSMO volledig sluit bij 72°C.

Het principe werkt bij alle types gebouwen, maar indien gewerkt wordt met (collectieve) luchtbehandelingskasten, moet de recirculatie uitgeschakeld worden. De SC60-COSMO beschermt de rookcompartimenten dus zowel in toevoer als in afvoer.

Ja, zolang de oplossing, of althans het werkingsprincipe, niet is opgenomen in de NEN 6075 blijft de SC60-COSMO beschouwd als een gelijkwaardige oplossing. De herwerking van de NEN 6075:2020 is ondertussen gestart.

Het grote verschil met andere, als gelijkwaardig beschouwde oplossingen, is dat de SC60-COSMO onderworpen is aan officiële brandtesten (volgens de NEN-EN 1366-2 standaard), inclusief toepassing met onderdruk van 300Pa, en officiële rooktesten (volgens de NEN-EN 1634-3 standaard). De NEN-EN 1634-3 is de (rook)lekdichtheidstest voor deuren en luiken, maar in dit geval verzwaard met een (ventilatie-)onderdruk van 300Pa volgens een methode beschreven door DGMR. Door al deze testen succesvol uit te voeren hebben we bewezen dat de SC60-COSMO voldoet aan de WRD-eisen Sa en S200 en 60’ brandwerend is, in ventilatiesystemen (onder druk, bij brand en bij normaal gebruik), gevalideerd met verschillende wanden en afdichtingen, en bij trage en snel ontwikkelende brand. Op basis van testrapporten kunnen we dus aantonen dat de SC60-COSMO voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit.

We beogen met onze producten een levensduur van 20 à 25 jaar, in een normale ventilatie-toepassing. Dit komt overeen met een gemiddelde renovatiecyclus voor ventilatiesystemen. Rf-t’s vlinderkleppen worden reeds meer dan 15 jaar geplaatst en uit reeds gemaakte vaststellingen blijkt inderdaad dat ze nog steeds voldoen aan alle gestelde eisen.

Inspectieluiken en/of -toegangen hebben tot doel een visuele controle van de klep toe te laten. Beide onderdelen, rookklep en vlinderklepbladen, moeten zichtbaar zijn. De rookklep is eenvoudig manueel te openen, en ook deels doorzichtig waardoor bvb. de stand van de klepbladen zichtbaar zijn.

Bij centrale of collectieve systemen moet inderdaad gezorgd worden dat de afgevoerde rook niet via de toevoer terug in het gebouw gevoerd wordt. De dakkappen voor toe- en afvoer worden reeds gescheiden geplaatst en veelal gericht in andere windrichtingen, en dat op basis van een risico-gerichte benadering.

De SC60-COSMO is toepasbaar bij zowel individuele luchtregeling (WTW) als collectieve systemen. In het geval van collectieve luchtbehandelingskasten is het belangrijk de recirculatie uit te schakelen bij brand. De SC60-COSMO is eveneens toepasbaar in systemen met enkel mechanische afvoer.

De Europese productnorm, de NEN-EN 15650, raadt aan een halfjaarlijkse inspectie uit te voeren. De CE-audit heeft Rf-Technologies opgedragen diezelfde raad op te nemen in de technische brochure van de SC60-COSMO. Indien het eerste jaar, bij de halfjaarlijkse inspecties, geen opmerkingen gemaakt zijn kan overgestapt worden naar een jaarlijks visuele controle. Deze bepalingen verschillen niet van wat geldt voor andere brandkleppen en compartimenteringsproducten in ventilatiekanalen.

De inspectie kan zich beperken tot een visuele controle, via een inspectieluik in het kanaal (al dan niet met een camera bvb.). In woongebouwen zijn de galva-luchtkanalen meestal verbonden met flexibels. In dat geval is het dikwijls niet nodig om een apart inspectieluik te voorzien en kan de flexibel losgemaakt worden van het kanaal voor de visuele inspectie.

De wand en de staat van de afdichting rondom het kanaal moeten eveneens gecontroleerd worden tijdens de inspectie.

Neen, de SC60-COSMO kan niet toegepast worden in vloeren vanwege de mechanische werking van de rookklep. Gestuurde gemotoriseerde brandkleppen kunnen wel toegepast worden in vloeren.

In normale omstandigheden (comfort-ventilatie, geen industriële afzuiging bvb.) blijkt de vervuiling mee te vallen in de loop der jaren – de toepassing van terugslagkleppen en andere regelkleppen is niet nieuw -. Het effect van vervuiling is nog veel kleiner bij decentrale WTW-units: de kleppen worden geplaatst aan de “propere” zijde, achter de filters van de WTW. Een regelmatige inspectie blijft, zoals bij brandkleppen, belangrijk.

Zoals ook aangegeven bij vraag n°11 zijn jaarlijkse of halfjaarlijkse inspecties nodig bij het gebruik van brandkleppen. Dit geldt voor “klassieke” brandkleppen, vlinderkleppen en ook voor de SC60-COSMO. Inspectieluiken kunnen zowel op klassieke brandkleppen toegepast worden als op het luchtkanaal zelf. Bij woonbouw met toepassing van WTW-units wordt de koppeling tussen de inkomende kanalen en de WTW-unit bijna altijd met flexibels uitgevoerd. De spanringen kunnen dan losgemaakt worden om een visuele inspectie van de SC60-COSMO toe te laten.

De SC60-COSMO kan overal toegepast worden. En dus ook in gevallen waar enkel een Ra/R200 eis geldt, zoals rookscheidingen (subbrandcompartiment).  De SC60-COSMO werd ontwikkeld op vraag van de markt, voor gebouwen waar een BMI niet verplicht is (woongebouwen, sommige kantoorgebouwen, (kleine) industriële panden…). Zeker in woongebouwen speelt de kostprijs van alternatieve, 100% aan de NEN 6075 conforme oplossing, een rol.

Zorgcomplexen beschikken over een centraal BMI-systeem, gekoppeld aan rookdetectie in de kamers. In zo’n geval kunnen gemotoriseerde brandkleppen toegepast worden die bij detectie automatisch sluiten (eventueel opgesplitst in zones). Op die manier voldoet men rechtstreeks aan de NEN 6075.

Ja, omdat de SC60-COSMO ook een CE-gekeurde brandklep is moet de onderlinge afstand, cfr. de Europese (brandkleppen) testnorm, 200mm bedragen, gemeten ter hoogte van de compartimentswand. Dit heeft te maken met de brandclassificatie en de brandwerendheidseisen, niet met de rookwerendheid. Er is geen minimum afstand tussen de luchtkanalen zelf, bvb in de schacht.

In de tabel hieronder staan de netto-doorlaten voor de verschillende diameters van de SC60-COSMO.

Op de website van Rf-Technologies (https://www.rft.eu/nl-nl/producten/vlinderklep/sc60-cosmo) vindt u alle beschikbare informatie over de SC60-COSMO. Momenteel zijn dat de technische brochure (met onder meer de installatievoorschriften) en de DoP. Wanneer beschikbaar, zal het Efectis classificatierapport hier gepubliceerd worden, alsook bijkomende informatieve bladen.

De officiële labo-metingen voor het bepalen van de drukverliezen zijn momenteel lopende bij Peutz. De waarden zullen naar alle waarschijnlijkheid tegen eind mei beschikbaar zijn. De informatie zal eveneens op de website gepubliceerd worden (https://www.rft.eu/nl-nl/producten/vlinderklep/sc60-cosmo).

Als de schacht en de technische ruimte gescheiden zijn door een subbrand-compartimentswand, als het maw gescheiden rookcompartimenten zijn, dan kan, mits toepassing van de SC60-COSMO in de kanalen, voldaan worden aan de eisen van het bouwbesluit. In het ander geval waarbij er geen scheiding is en de schachtruimte als een rookcompartiment beschouwd wordt, moeten de risico’s in kaart gebracht worden. Die zullen waarschijnlijk in de 2 richtingen bestaan: rookverspreiding in de schacht naar de technische ruimte en de brandlast vanuit de technische ruimte. Mogelijks komen bijkomende eisen naar aantoonbare lekdichtheid van het kanalensysteem. Een alternatieve piste dewelke soms toegepast wordt in Frankrijk is het toepassen van gescheiden schachten voor toe- en afvoerkanalen of een enkelvoudige schacht met scheiding van de kanalen (door bvb het plaatsen van een rookdicht schot tussen de kanalen).

De SC60-COSMO moet steeds geplaatst worden ter hoogte van de (sub)brand-compartimentswand. Bij verticale kanalen zou de klep dus ter hoogte van de vloer geplaatst moeten worden, waar de SC60-COSMO niet geschikt voor is.

Ja – zie ook antwoord vraag 10. De SC60-COSMO wordt toegepast ter hoogte van de (sub)brandcompartimentswand, zowel in toe- als in afvoer. De recirculatie moet, conform de bepaling van de NEN 6075, uitgeschakeld worden. Een gestuurde bypass-klep kan ook toegepast worden om de LBK te beschermen.

De SC60-COSMO reageert niet op de rookdichtheid, maar op druk(verschillen). Zonder ventilatiedruk zal de rookklep gesloten zijn. Er is een druk van minimaal 10Pa nodig om de klep open te zetten. Zolang de normale ventilatiedruk groter is dan de opgebouwde druk in een door brand getroffen ruimte is, zal de rook zich niet tegen de ventilatiestroom kunnen verspreiden. Op het moment dat de druk in het getroffen gebied groter wordt dan de ventilatiedruk, sluit de rookklep en kan de koude rook zich dus ook niet verspreiden. Eens de temperatuur 72°C bereikt zal de vlinderklep ook sluiten en de warme rook tegenhouden.

Uit officiële testen blijkt dat de koude rook lekdichtheid van de SC60-COSMO onder de meetgevoeligheid van instrumenten ligt. De totale rook lekdichtheid (koud en warm) ligt ver beneden de maximale grens van 200 m³ per uur per m² klepblad dat in de NEN 6075:2020 wordt opgelegd.

Bij de SC60-COSMO moet, zoals bij elk component geplaatst in ventilatiekanalen, rekening gehouden worden met drukverliezen. De drukverliescoëfficiënten zullen binnenkort beschikbaar zijn (zie antwoord vraag 21).

Neen, de SC60-COSMO voldoet aan de WRD-eisen tussen subbrandcompartimenten. Overal waar ventilatiekanalen doorheen SBC-wanden gaat, kan de SC60-COSMO toegepast worden.

Er is een minimum druk van ongeveer 10Pa nodig.

De SC60-COSMO dient geplaatst te worden in een metalen luchtkanaal, met een passende nominale afmeting (100/125/160/200mm). Teneinde te voldoen aan de WBDBO-eisen moet de wand overeenkomen met de in de DoP vermeldde wanden. En het dient geplaatst te worden in een horizontaal kanaal.

Ja, absoluut! De bij Efectis uitgevoerde testen werden uitgevoerd onder een permanente ventilatiedruk. In gebouwen waar geen centrale branddetectie is kunnen we niet er niet noodzakelijk van uitgaan dat ventilatoren uitgeschakeld worden. Denk maar aan individuele WTW-units in appartementen.

Nog vragen?